Artikel van de maand door Pieterjan Seurynck: Het “groot algemeen openbaar belang” als criterium bij bovenmatige burenhinder
In een eindvonnis van 29 april 2026 boog de beroepsrechter te Dendermonde zich over een burenhindergeschil waarin buurtbewoners aanvoerden dat de ontpoldering van een nabijgelegen natuurgebied door De Vlaamse Waterweg had geleid tot een sterke toename van de knijtenpopulatie, waardoor hun woongenot ernstig werd aangetast.
Centraal stond een vordering wegens bovenmatige burenhinder op grond van artikel 3.101, §1 BW. Een dergelijke vordering veronderstelt – samengevat – drie cumulatieve voorwaarden: nabuurschap, toerekenbare hinder en hinder die de normale ongemakken van het nabuurschap overstijgt.
Hoewel tussen partijen consensus bestond dat de slikvelden die ontstaan na een ontpoldering een ideale habitat vormen voor knijten, bleef volgens de rechtbank de cruciale vraag onbeantwoord: zou de knijtenpopulatie verdwijnen of minstens afnemen indien het ontpolderingsgebied ongedaan werd gemaakt? Of zou dezelfde toename zich ook hebben voorgedaan zonder de aanleg van het ontpolderingsgebied?
Op basis van de voorliggende wetenschappelijke studies oordeelde de rechtbank dat niet met redelijke zekerheid kon worden vastgesteld dat de toename van de knijten het gevolg was van het ontpolderingsgebied. Het oorzakelijk verband stond dus niet vast.
Opmerkelijk is evenwel dat de rechtbank haar analyse daar niet stopzet. Zij werkt uitvoerig de hypothese uit waarin het oorzakelijk verband wél zou zijn bewezen. Met andere woorden: zelfs indien vast zou staan dat de toename van de knijten rechtstreeks voortvloeit uit de ontpoldering, rijst nog de vraag of de hinder toerekenbaar is en of zij bovendien bovenmatig is.
Over de toerekenbaarheid
Over de toerekenbaarheid laat de rechtbank weinig twijfel bestaan:
-
de rechtbank verwerpt het argument dat De Vlaamse Waterweg zich kan verschuilen achter het Sigmaplan of het GRUP. Dat zou immers betekenen dat burgers na de administratiefrechtelijke fase geen verhaal meer zouden hebben tegen hinderlijk overheidshandelen;
-
het verweer dat de knijten louter het gevolg zijn van een natuurlijke evolutie wordt evenmin gevolgd: die evolutie kon niet plaatsvinden zonder de voorafgaande ontpoldering, die de kettingreactie met slikvorming en habitatcreatie in gang heeft gezet;
-
ook het argument dat er geen effectief gebruik zou zijn van de percelen omdat er enkel eigendom is, wordt verworpen: de ontpolderingswerken en het beheer van het ontpolderingsgebied vallen binnen het voorwerp van De Vlaamse Waterweg en vormen wel degelijk een gebruik, de afwezigheid van permanente aanwezigheid doet daaraan geen afbreuk.
Veel opvallender is evenwel wat daarna volgt.
Over het bovenmatig karakter van de hinder
Hoewel de rechtbank de hinder in die hypothese toerekenbaar acht, besluit zij dat deze niet bovenmatig is.
Een eerste element daarbij is de ligging van de woning van de appellanten. Zij kozen er in 2015 voor om zich te vestigen in de directe nabijheid van het ontpolderingsgebied, die sinds het GRUP van 2010 als natuurreservaat was bestemd. Volgens de rechtbank gaat het daarom niet zozeer om het tijdstip waarop de ontpoldering effectief werd uitgevoerd, maar wel om de bewuste keuze om nabij een natuurgebied te wonen.
Kortweg: wie ervoor kiest om in een natuurlijke omgeving te wonen, mag volgens de rechtbank worden geacht een hogere tolerantiedrempel te hebben voor de ongemakken die inherent zijn aan de natuurontwikkeling.
Daar blijft het echter niet bij. De rechtbank verwijst vervolgens naar de doelstellingen van het Sigmaplan, namelijk bescherming tegen overstromingen en natuurontwikkeling, waarbij tevens uitvoering wordt gegeven aan verschillende Europese natuurdoelstellingen.
Op basis daarvan komt de rechtbank tot een opmerkelijke conclusie. Zij oordeelt namelijk dat de omvorming van het gebied kadert binnen het "groot algemeen openbaar belang" en dat hiermee overeenkomstig artikel 3.101, §1 BW rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de bovenmatigheid van de hinder.
Precies omwille van dat groot algemeen openbaar belang besluit de rechtbank dat de hinder, in deze specifieke omstandigheden, niet bovenmatig is.
Bijkomend beoordelingscriterium bij bovenmatige burenhinder?
Die overweging roept evenwel vragen op.
Artikel 3.101, §1 BW bepaalt dat bij de beoordeling van de bovenmatigheid rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals het tijdstip, de frequentie en de intensiteit van de hinder, de eerstingebruikneming en de publieke bestemming van het hinderwekkende perceel. Van een afzonderlijk criterium van "groot algemeen openbaar belang" is in de wettekst (noch in de memorie van toelichting) echter geen sprake.
Vermeldenswaardig daarbij is wel dat de memorie van toelichting gewag maakt van een “niet-exhaustief overzicht (…) die ertoe kunnen leiden dat de hinder wordt beschouwd als bovenmatig”.
De rechtbank lijkt dit criterium in ieder geval zelf uit artikel 3.101 BW af te leiden en het vervolgens een doorslaggevende rol toe te kennen. Daarmee wordt een bijkomende beoordelingsfactor geïntroduceerd die de wetgever niet heeft voorzien.
Het valt dan ook af te wachten of deze redenering navolging zal krijgen in de rechtspraak. Indien het "groot algemeen openbaar belang" daadwerkelijk een zelfstandige rol zou gaan spelen binnen de beoordeling van artikel 3.101 BW, betekent dit een belangrijke verschuiving in de klassieke burenhinderleer.
De vraag rijst dan immers of publieke natuurontwikkelingsprojecten voortaan gemakkelijker aan aansprakelijkheid wegens burenhinder zouden kunnen ontsnappen, niet zozeer omdat de hinder afwezig is of niet toerekenbaar zou zijn, maar wel omdat het nagestreefde algemeen belang voldoende zwaar zou doorwegen.