Burgerlijke rechter bevoegd bij ongeoorloofd overheidsoptreden?
In een arrest van 16 januari 2026 heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de burgerlijke rechter (zelfs de kortgedingrechter) bevoegd is om in te grijpen bij overheidsoptreden, zélfs wanneer de overheid handelt binnen haar discretionaire bevoegdheid.
De uitspraak vond haar oorsprong in een mobiliteitsingreep van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij de Waterloosesteenweg tijdelijk werd versmald. De gemeente Sint-Genesius-Rode vreesde negatieve verkeersimpact op haar grondgebied en stapte naar de kortgedingrechter met de vraag om de werken te laten stilleggen en een deskundigenonderzoek te bevelen.
Het hof van beroep te Brussel verklaarde zich zonder rechtsmacht. Volgens het hof zou rechterlijk ingrijpen in dergelijke beleidskeuzes een schending uitmaken van de scheiding der machten (rechterlijke macht – uitvoerende macht), aangezien de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
Het Hof van Cassatie vernietigt deze beslissing en stelt dat de rechterlijke macht bevoegd is om op te treden wanneer een overheidshandeling mogelijk een subjectief recht schendt. Ook de kortgedingrechter kan, binnen de wettelijke grenzen, voorlopige of onderzoeksmaatregelen opleggen om rechten te vrijwaren.
Volgens het Hof tast een dergelijk optreden de beleidsvrijheid van de overheid niet aan, zolang de rechter zich niet in de plaats stelt van het bestuur.